Dagelijkse meditaties juni 2020

Dagelijkse meditaties juni 2020

Dinsdag 30 juni- De preek zonder brandalarm

Mattheüs 10, 34 – 39

Een weerbarstige tekst tijdens de eredienst van zondag 28 juni jl. waarin twee kinderen afscheid namen van de Kinderkring en welkom werden geheten door de Jongerenkring.
Begon Riet gisteren met het What’s App geluidje ‘pling!’, vandaag begin ik met het brandalarm van afgelopen zondag tijdens het gebed om de nood van de wereld. Het is met geen woord te beschrijven, dus daar waag ik mij dan ook maar niet aan. Het bleek te gaan om een vaatwasser die geopend werd. Ook ik moest even stoom afblazen…
Het was net de eerste keer dat ik in de Open Kring zou preken vanaf een mindmap. Geluk bij een ongeluk, want door de gedwongen brandalarmpauze van meer dan twintig minuten, kon ik eenvoudig ‘wolkjes’ tekst snoeien. Dit zou lastiger zijn in een uitgeschreven tekst. Een gemeentelid stelde na afloop voor: ‘Misschien kan je je preek nog op de website zetten?’ Met een mindmap is dat lastig. Maar wacht: dinsdag 30 juni verzorg ik de meditatie. Dat is een goede plek!
De preek van afgelopen zondag, nu zonder onderbreking door een brandalarm:

Gemeente van Jezus, die wil dat ieder individu tot haar/zijn recht komt

Afscheid van groep 8, welkom in de brugklas. Het brengt mij terug naar de jaren als docent Godsdienst. Maar niet alleen de voorbereiding op deze dienst, ook de blijdschap van een moeder, die afgelopen week op Facebook deelde dat haar dochter donderdag 25 juni op RTL nieuws te zien was. ‘Het zal wel over de gevaren van lachgas gaan’, zo deelde zij met haar Facebookvrienden. Via uitzending gemist zag ik haar: Anne. Ik pakte mijn oude agenda’s. ‘In welk jaar heb ik haar ook alweer lesgegeven?’ Het bleek in het jaar 2001 – 2002, de vierde klas. Ook gingen mijn herinneringen terug naar de Taizéjongerenreis, twee jaar later, die Sonja en ik met de jeugdouderling van de protestantse gemeente in Alkmaar-Noord organiseerden. Ook Anne was mee. In die week deelde zij haar teleurstelling dat ze uitgeloot was voor de studie geneeskunde. ‘Dan ga ik maar in België studeren!’, zei ze vastberaden. Nu hoorde ik haar deskundig uitleggen wat de gevaren zijn van lachgasgebruik als drug. Haar naam werd in beeld gebracht, daaronder stond: ‘neuroloog MUMC’.

Neuroloog en de tekst van vandaag brachten mij vervolgens terug naar de lessen aan tweede klassen. Het derde hoofdstuk had als thema: ‘groeien!’ Ik introduceerde dit thema met de vraag: ‘wie heeft er thuis weleens ruzie met zijn vader of moeder?’ De daarovolgende stilte maakte duidelijk dat de vraag een ongemakkelijke was. Schoorvoetend staken er drie tot zes leerlingen, meestal meiden, hun vinger op. ‘Gefeliciteerd!’ zei ik. ‘Huh? Feliciteren omdat je ruzie hebt met je vader of moeder? Dat is toch gek meneer! Ruzie is toch niet goed?’ ‘Ik zie het als gevolg van het ouder worden!’ zo antwoordde ik. ‘Jij wordt steeds meer jij, jij wordt steeds meer een eigen persoon. Je lijkt misschien wel op je vader of je moeder, maar je bent hem of haar niet!’ En de afspraken die je ouders met jou maken, doen ze om zoveel mogelijk een harmonieus gezin te zijn. Die afspraken ervaar jij als regels die jij niet meer nodig denkt te hebben, want ja, denk jij: ‘ik ben toch al dertien jaar?’
‘Trouwens wisten jullie dat de hersens in een puberhersenpan erg onrustig zijn? Ze groeien nog volop! Dit gaat door tot je 21e levensjaar! Dan zijn ze pas volgroeid. Dus hebben jullie ruzie thuis? Kun je nu, na deze les, thuis zeggen: ‘pap, mam. Ik heb geen ruzie met jullie. Het zijn mijn hersens!’ ‘Gekke leraar’, zag je ze denken.
Deze les eindigde altijd met mijn vraag: ‘Wees eens eerlijk, hadden je ouders tijdens die ruzies uiteindelijk niet gelijk?’ Op een enkeling na, zeiden deze dappere leerlingen schoorvoetend: ‘ja, eerlijk gezegd wel.’

Pubers en ruzie thuis is voor hem en haar soms letterlijk een gevecht rondom de vraag: ‘wie ben ik?’ Daarom zegt Jezus dat hij niet op aarde is gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Het zwaard is niet alleen een geweldsinstrument, het is ook een instrument om scheiding te maken. Scheiding tussen wat ‘jouw Zelf is’ en wat ‘des families’. Ook scheiding tussen goed en kwaad. Vrouwe Justitia heeft niet voor niets een zwaard in haar hand! En als je Jezus volgt, volg je het goede, het rechtvaardige. En je kunt Jezus zo radicaal volgen, dat je afstand moet nemen van anderen. Vrede in Jezus’ tijd betekende dat je je volledig ondergeschikt maakte aan familiebelangen. De groepsband bleef bewaard, maar niemand durfde daartegen in te gaan. Consequentie was: buitengesloten worden. Jezus vindt het individu belangrijker dan familieharmonie. Uiteindelijk moet jij je – als individu – verantwoorden. Dan kun je niet meer schuilen achter jouw ouders en jouw genoten opvoeding! Als je dat doet en blijft doen, dan ben je misschien wel meerderjarig, maar nog altijd niet volwassen. Je kunt beter Jezus volgen, dan de lieve vrede bewaren.

Dat is de boodschap van de Bijbeltekst:
God wil dat jij tot je recht komt!

Daarom drijft Hij een wig tussen vader en zoon, tussen moeder en dochter. Familiegebruiken, familieverwachtingen, familiebelangen kunnen verlammend werken bij de beantwoording van de vraag: ‘wie ben ik?’ Ook een wig tussen schoonmoeder en schoondochter: ‘nee, schoonmoeder! Ik neem jouw zoon niet van je af! Nee, ik ben geen concurrent van je! Ik heb je zoon lief! Dat is trouwens ook een compliment aan jouw adres!’

Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij is mij niet waard.

Vader, moeder: kan jij je kinderen loslaten? Kind: ben jij bereid je ouders los te laten?
Je kinderen zijn je kinderen niet. Zij komen door je, maar zijn niet van je. Jij mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen, want hun zielen toeven in het huis van morgen, dat je niet bezoeken kunt, zo leert Kahlil Gibran ons op de zondagsbrief.

Loslaten, het begint al bij de doop. Groeienderweg, groeien ze weg.

Kinderen zullen uiteindelijk hun eigen kruis op moeten nemen. Hun levenswegen gaan gepaard met valkuilen. Met karaktertrekken, die hinderlijk kunnen zijn in relaties. Met plannen die doorkruist worden door tegenslagen. Je kunt daarmee niet altijd bij je ouders aankloppen. Je kunt hen om advies vragen, maar je zult zelf je kruis op moeten nemen, je moet het zelf doen. Dat is ook de kracht van een huwelijk. Een huwelijk is namelijk ook een symbool: ‘pa, ma, dank voor jullie wijze lessen. Maar met mijn vrouw/man vorm ik nu één vlees, een eenheid. Laat ons, bij moeilijke beslissingen, met de kop tegen de lamp aanlopen. Als we advies nodig hebben, hoor je wel van ons, maar blijf op je handen zitten, en geef geen ongevraagd advies! Dit verkondig ik altijd tijdens de huwelijksdienst.

Ja maar: een wig drijven tussen vader en zoon, moeder en dochter. En het vierde gebod dan? Eert uw vader en uw moeder? Hoe moet ik dat dan zien?
Er staat eren, dat is iets anders dan verafgoden of aanbidden. Iets anders dan voldoen aan hun verwachtingen. Is dit laatste het geval? Dan ben je een slaaf van je ouders. Nee, je eert je ouders door jouw levenswijze. Door jouw leven straalt hun opvoeding, zo eer jij je ouders. Volg Jezus, volg het goede en je zult je ouders eren.

Niets en niemand zal ons scheiden van de liefde Christus.

En ouders? Bid voor je kinderen, bidt voor bescherming. Bidden doe je door je handen te vouwen. En als je je handen vouwt, laat je vanzelf je kinderen los, want je houdt je handen thuis.
En kerk? Wat kan jij betekenen in de opvoeding? ‘Nou’, zegt de kerk, ‘…ik heb een instrument dat catechese heet.’
Au! Dat doet zeer, dat is een pijnlijk punt, want dit is een kwaliteit – en dat is het! – van de kerk dat op sterven na dood is. Soms denk ik: ‘de kerk moet de kinderen geen catechese meer geven, maar hun ouders, en van daaruit raken gezinnen onderling met elkaar in gesprek.’
De eerste catechese-les voor ouders zal zijn: ‘hoe kan ik bidden, als mijn handen jeuken?’

In naam van Vader, Zoon en Heilige Geest.

Cor Baljeu

Maandag 29 juni

1 Korinthe 13 (rooster: Romeinen 9-1-18)

Ping! Het bekende geluid van een binnenkomend appje. ‘Mam, ik heb je een mailtje gestuurd, wil je even kijken?’ Ik open de mail en voor mijn ogen verschijnt een vrolijke romantische afbeelding van een stelletje in maanlicht met dansende hartjes om hen heen. Onder het kussende paar de namen van mijn dochter en haar vriend. En daaronder in geschreven lettertype de zo bekende tekst over de liefde uit 1 Korinthe 13: ‘De liefde is geduldig en vol goedheid. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.’

Mijn mond valt open. Mijn dochter en vriend: die hebben toch niets met geloof..? En dan een bijbeltekst zo pontificaal op de voorkant van je trouwkaart… Ik leun even achterover in mijn stoel en probeer het letterlijk en figuurlijk van een afstandje te bekijken. Ik roep Hans, mijn man, erbij: ‘Kijk eens, de trouwkaart!’ Ik hoop dat mijn stem zo objectief mogelijk klinkt, want ik wil zijn eerste reactie peilen. Ik zie hem de kaart scannen, lezen en nog eens goed lezen voordat hij zich naar mij omdraait: ‘Hè, een bijbeltekst? Hoe komen ze daar nou bij?’ Hij schudt verwonderd zijn gefronste hoofd. Hier moet over nagedacht worden.

De volgende dag komen ze eten en voordat ik met de verbaasde en nieuwsgierige deur in huis val, complimenteer ik ze met de vrolijke kaart. Maar ik wil het toch weten, móet het weten: ‘Hoe komen jullie erbij om een bijbeltekst op je kaart te zetten?’ Mijn dochter haalt nonchalant (of is het licht geïrriteerd?) haar schouders op, stopt een hap eten in haar mond en antwoordt nuchter: ‘Het is toch gewoon een mooie tekst?’ Ja, dat is het zeker, een prachtige tekst zelfs.

Maar wacht even: waar ligt nu het ‘probleem’? Mijn dochter en vriend hebben frank en vrij een bijbeltekst op hun kaart gedrukt zonder dat dat betekent dat ze leven met en geloof hechten aan diezelfde bijbel. Ik geef er een lading aan die zij er helemaal niet ingelegd hebben. Ik moet bij mezelf te rade: blijkbaar ben ik nog niet zover dat ik bijbelteksten rangschik bij andere teksten, maar dat ik ze apart zet. Die gebruik je niet te pas en te onpas. Daar ben je zuinig mee.

Wat zegt dat mij: een bijbeltekst op een kaart? De eerste gedachte is toch op z’n minst een gelovige achtergrond en of een kerkelijke binding. Daar reageerde ik onwillekeurig op: zij zijn stellig in hun afwijzing van kerk en geloof, (alhoewel geloof vandaag de dag natuurlijk vele facetten kent, zeker ook los van kerk (en bijbel!)) en dat zorgde voor mijn verwarring. Maar waarom? Het is toch, zoals mijn dochter aanvoert ‘gewoon een mooie tekst’? Los van context? Als ze hadden gekozen voor laat ik zeggen ‘love is where the heart is’, of een soortgelijke zoete tegeltjeswijsheid, had ik er niets van gevonden. En nu wel, en dat verbaasde me. Een nutteloos overblijfsel van mijn opvoeding…?

De kaart mét tekst is inmiddels verstuurd en ik moet een beetje grinniken om de reacties van onze meer of minder gelovige en kerkelijke familieleden: ‘Huh? Een bijbeltekst…, jullie kinderen gaan toch niet naar de kerk? Geloven toch niet?’ En dan antwoord ik net zo nuchter als mijn dochter: ‘Het is toch gewoon een mooie tekst?’

Riet van der Wenden

Zaterdag 27 juni

Achter de horizon

Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zijn. Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. Romeinenbrief van Paulus (hfst. 8)

Trouw, 16 juni 2020

Beeld Pieter Geenen

Corona. Dooft het uit? Of komt er een tweede golf?
Het is maar net hoe je de dingen groepeert. De optimist en de pessimist.

Maar nu gaat het over hoop. Hoop is iets anders dan optimisme. Hoop is ook niet het tegenovergestelde van passimisme. Niek Schuman, onlangs overleden theoloog en voorganger, zei op het laatst van zijn leven, toen hem gevraagd werd of het goed kon komen met de wereld: ‘Ik denk het niet, maar ik ben en blijf hoopvol.’

Dat hielp mij om deze woorden van Paulus boven dit stukje te begrijpen. Op dingen die je ziet hoef je niet te hopen. Het kan tegenvallen (glas halfleeg), het kan ook meevallen (glas halfvol), maar er valt hoe dan ook iets te zien, er zijn feiten, cijfers, analyses.

Hopen doe je op wat je nu juist niet ziet.
Dingen die je zielsgraag zou willen. Je verlangt ernaar. Je droomt ervan. Maar ze liggen niet binnen je bereik. Wat je wilt kan niet. Maar het zou wel moeten! Een herstel. Een nieuw begin. Een nieuwe vrede. En meer.

Wij hebben maar een beperkte horizon. De wereld van de feiten. Daar hebben we niet genoeg aan. Onze ziel verlangt. De hoop komt van achter die horizon. Of, dat is hetzelfde, uit de hemel. In elk geval: van God!

De hoop is geen product van ons denken. Dan is het optimisme. Het is de wonderlijke kracht die ons gaande houdt. Ook waar het donker is, en waar we geen wegen meer zien.
Je verstand zegt ‘onmogelijk, kan niet’, en de hoop fluistert je in: doorgaan, ook het onmogelijke is mogelijk.

Wij hebben aan onszelf niet genoeg. Wij kunnen God niet missen.

Ale Pietersma

Vrijdag 26 juni

“….gord u aan, om naar des Heren huis te gaan…”

In de persconferentie werden deze week verregaande versoepelingen aangekondigd. Mits anderhalve meter, kan ons leven bijna geheel weer opstarten. Een beetje licht voor de culturele sector die snakt naar mogelijkheden, de horeca, bedrijven die bijna omvallen, thuiszittende pubers, jonge studenten die de tijd van hun leven missen, mensen in verpleeg-en verzorgingshuizen en hun naasten.

De kerken maken plannen. Hoe doen we dat, vieren met anderhalve meter? En zonder zingen? Meer dan ooit ervaar ik de impact van de woorden uit psalm 122, in de bekende berijming:

Hoe sprong mijn hart hoog op in mij
toen men mij zeide: gord u aan
om naar des Heren huis te gaan.
Kom ga met ons en doe als wij…

De meeste kerken hebben zich creatief en digitaal van hun beste kant laten zien. Ik denk dat daarmee de kerk voorgoed anders en nieuw is geworden. Het niet fysiek naar de kerk kunnen gaan, heeft bij mij daarnaast iets wezenlijks opgerakeld dat kennelijk fundamenteel is voor mijn geloofsbeleving: het met lichaam en ziel gaan naar een andere plek. Op de fiets stappen. Mijn fietstas gevuld met toga, zangmap of liedboek. De fiets op slot zetten en dan naar binnen lopen met die anderen, een handvol, een kerk vol.

Het belang van dat lichamelijke kwam ik van de week tegen in een indrukwekkend boek van John Eliot Gardiner, de grote dirigent: “Bach. Muziek als een wenk van de hemel.” Nu zingen niet kan, neem ik maar de tijd om te lezen over muziek. In een hoofdstuk waarin Bachs wereldlijke muziek wordt besproken vind ik een voetnoot over lichamelijkheid. Caspar Ruetz, cantor, zegt over dansritmes in kerkmuziek: “Als we helemaal niets mee naar binnen mogen nemen in de kerk dat ook maar enigszins met dansen te maken heeft, zouden we onze handen en voeten, ja zelfs ons hele lichaam thuis moeten laten.”

Nou ben ik niet direct van het dansen in de eredienst. Even een anekdote tussendoor: twee keer in mijn bestaan ben ik bij een viering geweest waarin dans centraal stond. Als student in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk en een paar jaar geleden in de Groningse Martinikerk. Mijn lichaam is me een vertrouwd huis waar ik gemakkelijk mee beweeg. Maar toch werd ik overspoeld door vage gène en een ernstig gevoel van ongemakkelijkheid. We gingen in een kring door de kerk, je pakte een hand van degene naast wie je danste, er was ongemakkelijke vrolijkheid. Bracht het de aanwezigen nader tot God? Ik denk het wel, juist in de onhandige onwetendheid en het niet vertrouwde misschien?

Dat vieren iets is van met lichaam en ziel daar heen gaan en samen zijn, je “aangorden” en op weg gaan, je jas ophangen, mensen groeten, een plek vinden en daar gaan zitten, om je heen kijken, muziek horen en zingen, sfeer proeven, een hand op je schouder als het even moeilijk is, dat geeft een verdiepende dimensie die er voor mij minder is in alle digitale initiatieven. Handen, voeten, je hele lichaam meenemen en inzetten, ik wist niet eerder “aan den lijve” dat dat zo cruciaal is voor liturgie.

Of en wanneer de ziekenhuis-vieringen weer opgestart mogen worden, daar is nog geen helderheid over. Maar mijn hart springt alweer op in mij als ik denk aan de beweging: vrijwilligers die naar Isala komen, door het hele huis gaan om mensen te halen, rollende bedden, zingende leden van Isala Cantat, ons eigen koor. Een kleine drie kwartier zijn we daar, midden in de centrale hal waar voor even “des Heren huis” ontstaat, omringd door de bewegingen die horen bij een ziekenhuis: bellende artsen, steppende verpleegkundigen, piepende infusen. Zou het die bestaanservaring van verlangen zijn, waar de psalmist in psalm 122 over spreekt?

Marjanne Dijk

Donderdag 25 juni

Romeinen 7:13-25

Voordat ik theologie ging studeren had ik niet zoveel op met Paulus. Ik vond hem eigenlijk maar een pedant mannetje dat niet veel met vrouwen op had en mensen vertelde wat ze moesten doen. En vooral wat ze niet moesten doen.

Maar toen ik bij verschillende vakken kennis maakte met de verschillende kanten van Paulus, moest ik mijn beeld bijstellen. Niet dat ik me altijd in zijn teksten kan vinden, hoor. Maar ik begon toch meer en meer de gelaagdheid in zijn teksten te ontdekken. En ik begon ook te snappen waarom er zo ongelofelijk veel over hem wordt geschreven en gediscussieerd.

Zo ook over de Romeinenbrief. De tekst van vandaag is ingewikkeld (ik moet dit soort teksten altijd wel een paar keer herkauwen), maar ook herkenbaar. Het gaat over de gelaagdheid in de mens. Een klassiek filosofisch beeld van de verdeelde mens, de tegenstelling tussen lichaam en geest. Het goede is gelegen in de geest, en in de geest is ook de goede wil. De zonde is gelokaliseerd in het lichaam, in het vlees zoals Paulus schrijft. In de vertaling die wij meestal gebruiken is het woord ‘natuur’ gebruikt. Jammer eigenlijk, dat vlees geeft toch wel een mooi plastisch beeld dat dichterbij het lichamelijk van een mens staat dan het woord natuur. Maar ja, dat is een keuze.

De strijd in de mens woedt tussen het willen en het doen. De mens wil wel het goede, maar doet het kwade. Zelfs als de wil, als de geest instemt met de wet van God, zegt Paulus, dan onderwerpt de natuur de mens nog aan de wet van de zonde. Zelfs als je, zoals Paulus in Christus leeft (hij schrijft de tekst in de tegenwoordige tijd, niet in de verleden tijd. Het gaat niet over zijn leven voor zijn bekering).

En hoewel we tegenwoordig anders denken over de scheiding van het lichaam en de geest (tenminste, ik wel), denk ik dat Paulus hier iets heel menselijks aankaart. Je wilt wel het goede doen, maar op de een of andere manier doe je toch iets anders, tegen beter weten in. Maar maakt je dat een slecht mens? Volgens Paulus dus niet. Het is onderdeel van je menszijn, die gelaagdheid. En de eerste stap, zegt hij in dit gedeelte, is het kennen en accepteren van die gelaagdheid. Hij is, zoals we nu wel eens zeggen, bewust onbekwaam. Die term, bewust onbekwaam, wordt wel gebruikt in trainingen over het leren. Het is de weg die je aflegt in een leerproces. Je begint onbewust onbekwaam, je weet niet dat je iets niet weet. De volgende stap is dat je je realiseert dat je iets niet weet. Je bent dan bewust onbekwaam. Dat is het moment dat je een keuze hebt. Ga je ervoor om dat wat je niet weet te leren of blijf je onbewust bekwaam? Paulus gaat verder. Maar hij kan het niet alleen. Dat lezen we in hoofdstuk 8.

Liesbeth van Es

Woensdag 24 juni- Als de liefde de meeste niet wordt…

Romeinen 7: 1-12

Kom, ik kan niet slapen, ik ga eens de brief van Paulus aan de Romeinen lezen.
Nee, zo mooi zal het niet zijn. Bij mij ook niet.
Even tussen haakjes: lezend in de brieven van Paulus, verbaas ik mij maar weer eens, dat lezers van toen deze nogal  stevige en vaak ook wel stroeve taal hebben begrepen. Of hielden ze toen ook al leer-avonden over de taal van Paulus?

Wat houdt Paulus hier bezig? Trouwens in deze hele brief. Van huis uit is hij doorkneed in de omgang met de Wet. Maar door zijn bekering keek hij er anders tegen aan: wat heb ik als Jezus-gelovige nu nog aan deze op zich goede Wet?
Want goed is zij. Duidelijk: zij heeft echt geholpen om bv te weten wat begeren is, en om het kwaad te onderscheiden (vs 7-9). Heeft mij er kortom van bewust gemaakt wat zonde is.

Maar zegt hij ook: als ik even terugkijk, naar hoe Israel zo door de eeuwen heen omging met de Wet, dan word ik daar niet vrolijk van. Het lijkt wel een mislukt huwelijk. Wat nu? In vs 6 staat : wij leven nu vanuit een nieuwe oriëntatie, los van de letter van deze Wet. Dus daar zit volgens Paulus de knoest: zij is een stok achter de joodse deur geworden, een letter-jager. Geloven is geworden ofwel ver-worden tot leven naar de letter, het is moeten geworden. Of in één woord: wetticisme.
Je houdt regeltjes over, en dan ben je meer met jezelf dan met God bezig. Dan ga je elkaar de maat nemen of je gaat aan het vergelijken enz. En de liefde ofwel God zelf verdwijnt uit beeld. 

Zoals een huwelijk soms terug moet naar de basale liefde, moeten Jezus-volgers terug naar de liefde van Christus. Als ‘de liefde weer de vulling van de wet’ wordt (citaat van Paulus zelf) worden alle geboden weer wegwijzers naar de liefde of naar de bevrijding.  Dus terug naar de Wet, prima, maar dan in het kader van de liefde.
Is dit nu alleen iets van vroeger of ook weer niet helemaal?  

Siebren van der Zee

Dinsdag 23 juni- Belangstelling, hoezo ?

– Eigenlijk raar, hè, hoewel we leven in een wereld waarin vaak niemand echt geïnteresseerd is in de ander, worden we overspoeld met informatie over de ander – (naar citaat uit Murakami : Pelgrimsjaren)

Een zin, die ik nog wel een keertje overlas. Inderdaad, heel gekke conclusie, maar hij schijnt nogal eens te kloppen …

Wie zijn wij dan toch? En hoe leven wij? Zijn alleen forse prikkels nog de moeite waard, om naar te kijken/luisteren? Hoe afgestompt willen we zijn?

Gelukkig zijn er ook nog ándere signalen, geluiden/ beelden, ook op d’aloude buis. En met stip !!  (moet bekennen dat ik – afgezien van nieuws en politiek ! – weinig kijk)

Hoe dan ook, nogal eens moet ik terugdenken aan Tokidoki, onlangs een 4-delige documentaire over Japanners. Tokidoki betekent  ‘Soms’. Woord dat op méér manieren klopte : zo zagen we hier iets over het wel heel soms iets (!) laten zien  van Japanners, wie ze echt zijn …  Niet zo gezond, bleek. Tot aan psychiatrische  gevolgen/ noodtoestanden toe.

Evenzeer soms was het — in mijn opinie — dat je  op de buis een interviewer/ verteller ziet, die zo (onopvallend) overgegeven in haar onderwerp duikt! Steeds ging het volstrekt niet om haar, maar om wat ze waarnam en meebeleefde. (Haar naam was Paulien Cornelisse, uitzending VPRO)

Zo schoten er onweerstaanbaar ook nogal eens bijbelteksten door m’n kop : In hen (Japanners) bewoog en leefde zij daar …   Zij zoekt zichzelf niet! En: in haar is geen bedrog!

Puur geschenk, zo’n Mooi Mens!

Joke van der Zee

Maandag 22 juni

Romeinen 6: 1-14

Vanuit het hoofdkantoor van de Protestantse Kerk, de PKN, werd als handreiking in deze moeilijke tijden voorgesteld om teneinde bij een doop ook goed de afstand te bewaren, een ‘doopstok’ te introduceren. Dat was het idee van een schaaltje of schelp aan een anderhalve meter lange stok waarmee uit een doopvont water geschept en over het hoofd van een dopeling gegoten kon worden.
De reacties op dit idee waren wisselend: de ene voorganger (zoals ik) vond het potsierlijk en belachelijk dat je op deze manier coute que coute wilde dopen; de andere was blij met de geopperde mogelijkheid om toch in coronatijd te kunnen dopen als ouders daar op aandrongen.

Mij schoot daarbij een herinnering te binnen:
in mijn Westlandse periode trof ik een prominent lid van onze Gereformeerde Kerk, een man die veel voor de kerk had gedaan, lang in de kerkeraad had gezeten, sterk had meegeleefd. Maar zijn volwassen leven lang had hij een stil verdriet gekend als er op zondag gedoopt werd. Het stille verdriet was het verlies van een kind dat niet gedoopt was.
In het midden van de vorige eeuw  kenden de Gereformeerde Kerken de gedachte van de vroegdoop. Zodra een kind geboren was, moest het ten doop worden aangeboden. Met op de achtergrond de gedachte dat wie niet gedoopt was, niet zalig kon worden, niet in de hemel kwam, niet in eeuwigheid bij God, niet bij Jezus zou leven. Nou was en is In protestantse kring de doop een sacrament voor de gemeente en dient in een samenkomst van de gemeente gevierd te worden. Het verdriet van de oude Van Zanten was het verlies van zijn kind, maar vooral dat zijn kind voordat het op zondag naar de kerk kon worden gedragen, was overleden. 
In deze broeder ontmoette ik een wijs man die in zijn geloof gegroeid was en nog steeds verder zich ontwikkelde. De doop was voor hem eerder een pijnlijke gebeurtenis geweest maar was verder in de tijd een feest geworden bij de doop van zijn kleinkinderen, al was het verdriet nooit verdwenen. 

In het begin van Romeinen 6 gaat het Paulus om de binnenkant van wat met de doop wordt uitgedrukt. En die binnenkant is de relatie met Christus Jezus,  de Gekruisigde en Verrezen Heer. 
En die relatie lijkt, als je het wat al te letterlijk neemt, pas te beginnen en werkelijkheid te worden nadat je gedoopt bent (vandaar het idee van de vroegdoop). Zonder dat water op je hoofd of beter nog: zonder koppie onder te zijn gegaan in het water geen relatie met Christus. (Romeinen 6 geldt in de kerkgeschiedenis als de basis voor de kerngedachte van alle baptistenkerken: volwassendoop.)
Eerlijk gezegd, vind ik dat idee van het wijdende water (een soort toverwater) een vorm van magisch denken waar ik niks mee kan.
Geloof je dat nou echt, vraag ik mijzelf dan. Geloof je nou echt dat je geen band met Christus hebt, dat je geen kind van God bent, als je niet gedoopt bent, geloof je dat je kind, je kleinkind niet bij Jezus hoort, dat het verloren is als het niet gedoopt wordt?
Geldt niet wat Paulus op het laatst van het gedeelte van vandaag schrijft: dat je niet onder de wet bent, maar dat je onder de genade valt als gelovige?  Met de doop bewérk je niet iets, produceer je niet iets, produceer je geen kind van God, je víert dat dat zo is, je viert dat God je lief heeft, Je viert dat je naam van meet af aan in Zijn handpalm geschreven is.
Niet bewerkstelligen maar dankbaar vieren, dat is voor mij wat een sacrament doet.
En dan is het feest, zo heb ik dat mijn hele ambtsleven zo beleefd. Het was een feest een kind te mogen dopen, telkens weer. Een enkele keer was het helemaal bijzonder als ik een volwassene na zijn of haar belijdenis mocht dopen. Zo is het inmiddels al weer vele jaren geleden dat ik in mijn laatste gemeente, Dalfsen een volwassene heb gedoopt. En elke keer dat ik in Dalfsen, in de Grote Kerk daar, voorga, klinkt het ter begroeting: “Ha, mijn doper.” En mijn antwoord: “Dag Simon.” Herinnering aan een feestelijk gebeuren.
Maar dan zitten we nog wel met de prangende vraag: Ben je zonder dat feest, zonder dat sacrament dan niet een kind van God, heeft God je dan niet lief?

Daar geloof ik dus helemaal niks van. Ik geloof eerder het tegendeel.
Ik heb Jezus zoals Hij ons wordt verkondigd in de Evangeliën, ik heb God wat dat betreft erg hoog, hemelhoog.

Ad Geerling

Zaterdag 20 juni- In de boot

’s Morgens word ik wakker van het gefluit van de vogels, nog voordat de wekker gaat. Dat is nieuw. Meestal stapte ik, dankzij de zeer vroege wekker, de auto in en werd ik halverwege de file echt wakker. Nu valt het vogelgewetter me op.

Dit heb ik zelf ervaren. Maar je hoort verschillende ervaringen. Iemand vertelde hoe lastig het is -werk en privé door elkaar- en dan de rare spanning die je voelt als je weer eens naar de werkvloer gaat. En over afscheid nemen in Corona-tijd, dat je het een kwartier tevoren nog over de tomatenplantjes had en dat diegene er even later niet meer is, je kijkt vanaf nu altijd anders naar die plantjes. En ook iemand die vrolijk constateert dat mensen je niet meer zomaar voorbijlopen maar je daadwerkelijk weer aankijken (moeten) en groeten als ze jou met je tweeling-kinderwagen proberen te omzeilen. De (levens)kunst is, zo voel je in die reacties , om jezelf niet vast te zetten in die paar woorden ‘normaal’ en ‘abnormaal/raar’. Daarmee doe je jezelf en je leven tekort, je kunt het ook proberen te ‘vangen’ in woorden als:  bijzonder, mooi, nieuw, afstand, verrassend, pijnlijk, spannend, afscheid, dierbaar, trouw, contact.

Inmiddels hebben we -net als veel andere Nederlanders- ons vakantiegeld in een leuk roeibootje gestoken. We kunnen toch niet wandelen in de bergen dit jaar, dachten we, we zoeken het water op. Leuk bootje, zes jaar oud maar ziet er goed uit, 440×175, 6 pk-aanhangmotortje, lekker toeren op de IJssel.

En als je daar zo ronddobbert, throttle bedienen met je ene hand, in de andere hand een koud alcoholvrij biertje, dan komen de gedachten vanzelf bij je op.

Als het water mijn leven is (mijn verzameling ervaringen, m’n gevoelens, mijn overtuigingen, mijn levensgezellen) en het bootje ben ikzelf, laat ik me dan meedrijven op de stroom van de dingen of vaar ik dan mijn eigen koers?

Ik herinnerde me dat oude raadsel weer: Stel de rivier stroomt van Oost naar West, en jij staat aan de oever en kijkt naar het water. Je staat in het heden, in het nu. Aan welke kant bevindt zich dan de toekomst, de West- of de Oostkant? En dezelfde vraag voor het verleden? Mijn eerste antwoord was: De toekomst? Aan de Westkant, want daar stroomt het water naar toe. Maar het ligt net andersom: Wat voorbij stroomt is je verleden geworden, je toekomst is stroomopwaarts, dat wat naar je toekomt. Dus leven is stroomopwaarts kijken, naar wat er te verwachten valt. Dat soort gedachten dus.

Ja hoor, we kunnen toch naar Oostenrijk! Dan gaan we ook! Tentje, rugzak en bergschoenen in de kofferbak en wegwezen. Dus…

Bootje kopen?

Anne Zweers

Vrijdag 19 juni- Van klaagzang naar loflied

Psalm 69

Toen ik deze Psalm las dwarrelden mijn gedachten van docententijd naar puberteit en weer terug. Met name vers 10a bracht mij op deze gedachten. ‘De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd’. Het beeld van de tempelreiniging drong zich aan mij op. Jezus heeft de tempel ‘schoongeveegd’, zijn hart verteerde toen hij zag dat een gebedshuis tot een rovershol was verworden. Deze scène wordt in de film Jesus Christ Superstar stevig neergezet, hoofdrolspeler Ted Neeley speelt Jezus niet boos, maar ziedend, woest!

Drie korte verhalen rondom Jesus Christ Superstar
1.
Als docent ging ik tijdens de laatste les voor Pasen aan de hand van Jesus Christ Superstar in één les met de vierde klassen HAVO/VWO door de Stille week heen. Van Palmpasen tot eerste Paasdag. Een les later hierover een eenvoudige toets: konden de leerlingen hun cijfergemiddelde ophalen. De scène na de tempelreiniging liet ik niet zien, want het was geen onderdeel van de Stille week.
In die scène wandelt Jezus uitgeput door het ruwe landschap, langs grotten. Daar herkennen in quarantaine levende melaatsen Jezus. Zij hopen op een wonder, op genezing. Zij dringen zich aan hem op. Jezus overziet het niet meer. Wie moet hij als eerste genezen? Wie daarna? Overspoeld door de nood van deze melaatsen roept hij: ‘there are too many of you, don’t crowd me’, om schreeuwend af te sluiten: ‘leave me alone!’ Chaotische beelden. Jezus dreigt te verdrinken in een moeras van opdringerige melaatsen. ‘Trek mij uit het slijk voordat ik wegzink…’ zegt de Psalmist. ‘Laat de stroom mij niet verzwelgen, de afgrond zijn muil niet boven mij sluiten.’ (15 en 16). (Het moet de afgelopen maanden het gevoel zijn geweest van menig werker op de afdelingen Intensive Care.) Een oud-begeleider van predikanten schreef ooit: ‘het ambt van predikant heeft chaotiserende trekken.’ Ja in de veelheid van geluiden en in het stormen van de tijd (NLB 283: 1) is het overzicht niet altijd aanwezig. Maar, samen zoeken wij het zachte suizen van het woord, dat ons verblijdt.

2.
Toen de film Jesus Christ Superstar in 1973 uitkwam (overigens was het muziekalbum drie jaar eerder uitgebracht met Deep Purple-zanger Ian Gillan in de rol van Jezus), zat ik als 14-jarige puber op de middelbare school.
Heden biedt het internet veel mogelijkheden om oud-klasgenoten digitaal te bezoeken. Ik herinner mij ruim tien jaar geleden Schoolbank.nl, enkele oud-klas- en dorpsgenoten berichtten: ‘hé, Cor, hoe is het met jou? Wat doe jij tegenwoordig?’ Zij wisten niets van mijn theologische weg. Toen ik hen meldde dat ik in de eindfase van mijn studie zat en op weg was naar het predikantschap hoorde ik vervolgens niets meer van hen. Kennelijk paste dat niet in hun beeld: Cor… een dominee??? Verward? In verlegenheid gebracht? Honen oud klasgenoten uit mijn geboortedorp mij nu, zoals de psalmist door zijn vijanden wordt gehoond? Ik ontving drie a vier dergelijke non-reacties, maar de mooiste is de laatste: aan het oog van een oude vriend ging mijn achternaam voorbij. Hij dacht: ‘hoe zou het met Cor zijn?’ Hij zocht mij via Google op, wist niet wat hij las en stuurde een mail getiteld: ‘herinnert u zich deze nog?’, de Radio Veronica-tune die hiermee indertijd een oude hit aankondigde. Die oude/hernieuwde vriend verwees daarmee naar die jaren dat we samen elpees draaiden en teksten van Neil Young e.a. analyseerden en bespraken. Sinds zijn mail, zien we elkaar jaarlijks, prikken een vorkje, wandelen vele kilometers en voeren goede, mooie, diepgaande gesprekken.

3.
Toen Jesus Christ Superstar uitkwam, was een van de kritieken vanuit de kerken dat deze eindigt met Goede Vrijdag. Ik deelde die kritiek niet, maar leefde wel in de veronderstelling dat met de kruisiging de film afgelopen was. Totdat een leerling uit 4-HAVO bij de eindscène, vlak voor de aftiteling, zei: ‘…meneer, kijk eens goed! Onder het lege kruis!’ En terwijl ik die film al tientallen keren had gezien, zag ik dankzij haar aanwijzing voor het eerst, heel vaag, nauwelijks waarneembaar, een herder in de helrode zonnegloed onder het afgebeelde kruis wandelen, een staf in de hand, gevolgd door een kudde schapen.

Zoals vele psalmen begint Psalm 69 met een klaagzang, maar eindigt het met een loflied.

Cor Baljeu

Donderdag 18 juni- Seizoenen

In mijn meditatie van 8 juni verhaalde ik over vakantiebrieven geschreven door mijn familie tijdens mijn eerste thuisblijven. Ik dacht dat dit zo’n dertig jaar geleden was, maar het was natuurlijk al bijna veertig jaar geleden… Oei. Ik kan me die zomer van 1981 nog zo goed herinneren. De bruiloft van Charles en Diana, mijn eerste baan (vandaar mijn thuisblijven), de bliksem die insloeg en het huis in het donker zette en de tv op zwart. En het ijselijke rinkelen van de telefoon die eerste nachten alleen, met een zwijgende hijger aan de andere kant van de lijn… Maar ook het gelukzalige gevoel van ‘het gaat beginnen!’ Wat precies was nog even de vraag, maar ik was jong en het leven lag aan mijn voeten, klaar om opgeraapt te worden. Het was een reikhalzend voorjaar die zomer.

Net zoals de jaarlijkse jaargetijden leven wij mensen ook in seizoenen. Dat kan soms knap verwarrend zijn. In de lente van mijn leven hunkerde ik naar de zomer; zo graag wilde ik de beloftes van een vrij en volwassen leven inwisselen. Zelfstandig wilde ik zijn en zelf mijn beslissingen nemen. Op eigen benen staan, ook al waren die soms nog wat wankel. Die eerste zomerweken straalde de felle zon zorgeloos, er was geen wolkje aan de lucht te bekennen. Maar dieper de zomer in werd het voor mij te heet, te klam en mijn energie droogde uit zoals gebarsten aarde dat smacht naar een regenbui. Het was te druk, het licht te fel en de dagen te lang. Na uitbundige bloei en duizelig van alle kleur, geur en geluid werd het tijd om naar binnen te gaan.

Zo landde ik na de nodige nazomerstormen met een plofje op vers gevallen bladerdek, spinnend van tevredenheid. Het klinkt voor velen misschien als ‘over het hoogtepunt heen zijn’, maar ik heb in het afkoelende najaar mijn ‘eigen’ leeftijd bereikt. Een herfstige ziel zogezegd. Wat mij betreft zetten we de klok nu stil, want die tikt natuurlijk akelig snel door. En voor het eerst in mijn leven ervaar ik dat ik mij jonger voel dan de kalender mij vertelt. Voor mij een nieuwe gewaarwording, maar wintermensen glimlachen wijs dat dit het ‘nieuwe normaal’ is. Wen er maar aan, zeggen ze. Ik ga het beleven.

En nu? Ik ben nog (lang) niet toe aan kou en afnemende krachten in dat laatste jaargetijde. Wel ben ik gecharmeerd van deze woorden: ‘…als je in gedachten de tijd moet opdelen in seizoenen, laat ieder seizoen dan alle andere omvatten…’ (uit: de Profeet/Kahlil Gibran). Een gezonde instelling lijkt me. Toch zie ik ook mooie kanten aan de winter en die zal ik te zijner tijd zeker waarderen: een tijd zonder haast, vredig mijmeren over het leven en hopelijk nog lang genieten van een warm en liefdevol slotakkoord.

Maar dat is straks. Nu eerst zomer vieren in mijn najaar.

Riet van der Wenden

Woensdag 17 juni- Geteld…

“Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil. Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld. Wees dus niet bang, jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.” (Matteus 10)

Er staat veel meer in dit hoofdstuk, maar dat is mij een groot raadsel, dat laat ik maar onopgelost. Ik blijf vandaag hangen op dit ene zinnetje: dat de haren op ons hoofd zijn geteld.

Wat me daarin zo treft is de strikte individualiteit. Jij, of ik, ieder met het eigen aantal haren! Die zijn geteld: dat is hoogstpersoonlijke aandacht.
Dit bijzondere, unieke van ieder mens zit nogal eens in de verdrukking. Als ik de Albert Heijn in ga, staan op het wagentje en bij de ingang teksten als: fijn dat u bij ons uw boodschappen komt doen. U! Wie? Ik?
O, wat fijn. De afsluiting van het journaal om acht uur: ‘ik wens u nog een fijne avond.’ Wie bedoelen ze dan? Ik denk dan aan iemand die diep eenzaam of ten einde raad is, en voor de afleiding tv kijkt… ‘een fijne avond…’
Zo krijg ik ook e-mails met ‘Beste Ale’ erboven. Huh? Of ‘Beste heer Pietersma’ – een combinatie van beleefd en familiair. Met allemaal hartelijke teksten. Maar de bank, of Netflix, of bol.com – ze kennen mij helemaal niet.

Ik! Jij! Levend mens! Onze haren geteld.
In deze crisis ben ik het individu ook een beetje kwijt. Alles gaat in het collectief. ‘Samen in de strijd tegen corona!’  ‘Met z’n allen…’ Statistieken. Totaalcijfers. Voor het grote onpersoonlijke ‘men’ is het nodig afstand te houden. Maar in je persoonlijke eigen leven zit je onwennig in een wijde kring met je kinderen, of je vrienden. Soms net of je een stukje opvoert…

Maar zo is het geworden. En we leven nu eenmaal in relaties. En het is ook zo dat de anderen jou maken tot wie je bent. Je ontleent je identiteit aan je omgeving. Allemaal ook waar.

Maar dat is niet het laatste. Ik weet nog heel goed hoe ik bij de geboorte van onze kinderen steeds meteen een diep besef had dat er een persoontje, een strikt eigen persoontje bij was gekomen. En zo denk ik ook dat je in het uur van je dood opnieuw helemaal op jezelf komt te staan. Dan ben je alleen nog maar die ene persoon, individu.

De Grote Teller van het haar op je hoofd…

‘Heer die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken…’

‘Die mij hebt gezien eer ik werd geboren…’

‘Dat ik dit was, en geen ander…’

Ale Pietersma

Dinsdag 16 juni

Matteüs 10: 16-23

Wanneer ik op het rooster sta voor een meditatie, lees ik ’s ochtends een keer de tekst. Vandaag dus ook. Ik blijf steken. Want er wordt nogal wat gezegd. Jezus houdt rekening met de mogelijkheid dat zijn discipelen zullen worden vervolgd omwille van wat zij te vertellen hebben. Hij zegt zelfs dat wie standhoudt tot het einde zal worden gered. En dat de ene broer de andere zal uitleveren om hem te laten doden. Wat moet ik hier over schrijven? Deze woorden passen toch niet in onze tijd? Ik leg de tekst weer aan de kant en ga aan het werk.

In mijn agenda voor vandaag staat het schrijven van een tentoonstellingsplan voor een nieuwe expositie in het Ikonenmuseum in samenwerking met Henk Helmantel. Een van de objecten (uit zijn collectie) is het beeld van Catharina dat in een vroege 16e-eeuwse tabernakelschrijn staat.

De legende vertelt dat Catharina aan het begin van de 4e eeuw op bezoek gaat bij keizer Maxentius, een fervent christenvervolger. Ze geeft de keizer een reprimande vanwege de martelingen die hij de christenen liet ondergaan. Maxentius wil Catharina overtuigen van haar ongelijk, maar hij slaagt er niet in om haar met argumenten te overtuigen. Hij schakelt de hulp in van de vijftig meest vooraanstaande filosofen uit zijn rijk. Maar de filosofen slagen er niet in om Catharina te overtuigen, sterker nog, Catharina is zo welsprekend dat zij de filosofen bekeert. Het komt niet goed tussen Maxentius en Catharina. De jonge vrouw wordt gemarteld en onthoofd.

Het verhaal van Catharina past bij het verhaal uit Matteüs, denk ik. Het verhaal van een martelaar die volhoudt tot het einde en de woorden van de Geest die sterker zijn dan de taal van de tegenstanders. Voor mij is Catharina een bijzondere heilige. Ze is niet alleen de beschermheilige van de wetenschappers, ze is ook nog een vrouw. En je moet best iets in je mars hebben om als vrouw in de mannenwereld die religie tot voor kort was (en op veel plaatsen nog is) beschermheilige van de wetenschap te worden.

Inmiddels is het avond en ik ben aan het einde van deze meditatie. Ik kijk naar Catharina en lees de tekst weer. Wat betekenen de verhalen van Matteüs en Catharina voor mij? Allereerst om trouw te blijven aan jezelf. Zelfs als de meerderheid iets anders van je eist of iets anders zegt. Niet zomaar met de winden meewaaien. Maar vertrouwen op jouw woorden. En dat volhouden, ook al ondervind je tegenstand. En mildheid. Het schaap tussen de wolven uit Matteüs (vers 16). Want mildheid geeft ruimte aan openheid. Openheid naar de ander.

Liesbeth van Es

Maandag 15 juni- Welke bagage?

Matteüs 10, 5 – 15

Lees het begin deze lezing van vandaag tegen de achtergrond van vele demonstraties: ga niet naar de heidenen; kom niet in een stad van Samaritanen.  Het is duidelijk: Jezus heeft die bijzondere vrouw, de zogenaamde Syro-Fenisische nog niet ontmoet. Die Hem er zo open en eerlijk erop wees, dat honden (lees heidenen) er toch ook bij mogen horen…

Maar na dit wat lastige begin worden zijn leerlingen in het diepe gegooid.
Ga er op uit, spreek de mensen aan. Zeg wat ik zeg, doe wat ik doe, tot aan genezen toe. O ja, neem niets mee, ga zoals je bent en dat is het dan.
Ga, want op deze manier moet het Koninkrijk van God onder de mensen komen.
Dit allemaal lezend, komt hier een eenvoud op mij af, waar ik niet van terug heb. De dingen van God (dat Koninkrijk dus), ze zijn mij ‘nabij gekomen’. Of zijn mij bijna te na gekomen?   

De kern van dit alles is niet te missen: alles is een geschenk, zowel wie ik ben als wat ik heb. Ik leef van gratis, het zit bij mij niet in mijn kleren, niet in mijn geld, niet in wat ik meeneem onderweg. Ik ben namelijk alleen maar drager van wat ik ontvangen heb. Bezittend als niet bezittend, zal Paulus ergens schrijven. 

En daar gaan ze dan, de leerlingen. Ik neem aan met enige verlegenheid. Met deze wenk van Jezus: ondervind maar hoe mensen je zullen ontvangen. Of een dorp of huis u waard is of niet. In dat laatste geval kunt u er ook weinig aan doen; zo kan dat gaan. Soms is er inderdaad geen vrede te behalen.

Inderdaad, het Koninkrijk heeft en houdt iets tegendraads. Het past voor geen meter bij elkaar: zoveel begeerte naar wat ook én leven, dat gratis gegeven is. 
Deze oefening in eenvoud keert vandaag in alle hevigheid inclusief tegenspel terug. Troost ik mijzelf nu te gauw als ik zeg dat een begin van dit grote Werk ook al iets of juist al heel veel kan zijn?   

Siebren van der Zee

Zaterdag 13 juni- Dubbele bodems …

Matteüs 9 :27– 34

Vandaag weer een wonderverhaal. ( heb ik niet voor gekozen )  Over twee genezen blinden en een sprekende doofstomme. ‘t Kan niet op.
Geeft mogelijk wel wat kortsluiting met ons denken, onze leefwereld … van nogal eens muurvaste logica. Maar toch.

 Wat me laatst overigens wél hielp bij dit ongemak,  was iets  prozaïschpoëtisch … Woorden over een geliefde ::

Zij maakt alles anders,
het pad en de stoep en de keuken,
de stap en de roep
en de ramen waardoor zij de kreuken
strijkt uit mijn dubbele naam …

Met het blote oog (!) zijn beelden hierin niet zomaar duidelijk. Maar daarom nog niet onecht !
Dubbele bodems, beeldtaal … Móet ik daar nou wat mee ?

Het moeilijke is : als  ik géén diepere laag in die wonderverhalen wil zien, kom ik niet verder.  Bij ‘the heart of the matter‘, zogezegd.

Maar ál die ‘stralenkransen’ van regelrechte wonderen rondom Jezus… Moeilijk, hoor !  Of zijn dit misschien extra aureolen om hem heen door de broeders evangelisten ? ( moet ook denken aan gespreksronden deze winter rond zoiets als Struikelteksten, olv Gerlof van Rheenen ! )

Iets anders : iemand vroeg zich ooit af, waarom we met wonderverhalen in het Oude Testament helemaal niet zo’n moeite hebben!  Zit wat in. Waar méérdere kernwoorden/-beelden in beide Testamenten steeds weer naar elkaar verwijzen, m.n. over ZIEN en HOREN .

De prompte combinatie in dit stukje tekst — over blinden + een doofstomme –  over ZIEN en HOREN, valt dan wel op !

Kennelijk gaan verhalen over wonderen niet louter over wonderen …  

Die bocht – van zulke vaak beeldverhalen – moeten we misschien toch maar nemen ? Tot op de diepere laag. Toch altijd weer de grondtoon van barmhartigheid.

Joke van der Zee

Vrijdag 12 juni- Messiaanse ontmoetingen

Mattheüs 9: 18-26

We krijgen in het evangelie vele verhalen van genezing en zelfs opwekking te horen , maar  ik moet u eerlijk bekennen dat ik het niet zo heb op al die verhalen. Niet alleen in deze coronatijd overvalt me wel eens dat gevoel: mooi hoor, die verhalen, maar vertel die eens aan verwanten van die doodzieke patiënt die nog steeds op de IC ligt. Of aan die familie die met het verlies van een geliefde geconfronteerd wordt die niet aan het leven teruggegeven kon worden.
Je stuit op de vraag: wat moet je dan met zo’n verhaal? Wat is nou eigenlijk de functie van deze Evangelieverhalen?
Het dochtertje van Jaïrus, de bloedvloeiende vrouw, die blinden, die doofstomme en ga zo maar door, daar horen we niet van om de grote macht van Jezus te illustreren of als wonderverhalen.
Ik ontdekte bij het onderzoek voor deze column dat er in het Mattheüsevangelie maar 1 keer sprake is van  ‘wonderen’ (Matt. 24: 24) en ook nog in negatieve zin: in de waarschuwing voor valse messiassen en nepprofeten.

Deze evangeliegedeelten verhalen de daden van de Messias. Het Evangelie zegt daarmee keer op keer: als de Messias komt, op die jongste dag, dan is er geen ziekte, geen dood meer, dan is er geen verstoorde verhouding in de samenleving, geen discriminatie, geen uitsluiting, geen onderdrukkend politiek of religieus geweld.
Jezus verwijst steeds naar het Koninkrijk van God, wat Hij zegt en doet laat zien en al even gebeuren   wat er komt. Zo wordt het in Gods droom. Kijk maar naar dat dodelijke meisje: zij leeft. Kijk maar naar die jarenlang zieke vrouw: ze is niet meer onrein, niet meer buitengesloten, ze is voluit mens.
Deze messiaanse verhalen staan vol van ontmoetingen: Jezus die allerlei marginalen tegenkomt, die op mensen in nood afstapt, mensen aan de rand van de samenleving: vrouwen die in de Joodse en Romeinse samenleving op het tweede plan kwamen en zeker als ze hun periode hebben, bloed vloeiend en daarom onrein zijn, vrouwen die maatschappelijk minder in tel waren, kinderen kwetsbaar en op bescherming aangewezen, leprozen die in permanente quarantaine moesten, zichzelf afzonderend van de samenleving als levende doden, gehandicapten, blinden, doofstommen, verlamden, verarmden bedelend langs de straten, verwarde mensen, psychiatrisch, door demonen bezeten zoals ze in de dagen zeiden.  En het Evangelie legt daarbij niet zo zeer de nadruk op de fysieke kant van ziekte en sterfelijkheid, ongelijkheid en onderdrukking, en vertelt ook niet over het doorkruisen van natuurwetten.

Jezus gaat op vreemden af. Maar volgens de band Chef’Special (in: Amigo) zijn vreemden vreemden tot zij elkaar ontmoeten. Strangers are strangers until they meet. Jezus gaat af op mensen van wie  een vrome verre zou moeten blijven. Voor Hem zijn zij geen vreemden. Hij gaat op mensen af wier humaniteit hun was onthouden, hun was afgenomen, zoals die Hemzelf ‘onder Pontius Pilatus’ aan het kruis werd afgeroofd. Hij ontmoet deze mensen die geen mensen mochten zijn. Zo doorbreekt Hij de taboes die er in de maatschappij en in de religie heersten, taboes die tot het isolement van al die marginalen leidden, die mensen in hun ellende gevangen hielden.

In deze dagen na de dood van George Floyd in Amerika worden deze messiaanse verhalen actueel: black lives matter, no justice no peace.
Vandaag lezen we het verhaal van ontmoetingen en van het vertrouwen (de Naardense vertaling noemt het: je ‘geloof’ heeft je gered). Het is het vertrouwen dat de marginalen in Jezus stellen, alsof ze weten: Hij is een van ons. Het is het vertrouwen elkaar echt te willen ontmoeten.  

18. Terwijl hij dat tot hen uitspreekt
   zie, een overste, één, komt nabij,
   betuigt hem hulde en zegt:
   mijn dochter is zojuist ten einde gegaan! –
   maar kom, leg uw hand op haar
   en zij zal leven!

19. Klaarwakker volgt Jezus hem,
   met zijn leerlingen.

20. En zie, een vrouw die
   al twaalf jaren
   aan bloedvloeiingen lijdt,
   komt van achteren tot hem
   en pakt de zoom van zijn kleed vast.

21. Want, heeft ze bij zichzelf gezegd,
   als ik alleen maar zijn kleed vastpak,
   zal ik worden gered!

22. Maar Jezus keert zich om,
   ziet haar en zegt: vat moed,
   dochter!- je geloof
   heeft je gered!
   En vanaf dat uur
   is de vrouw gered.

23. Jezus komt
   het huis van de overste binnen,
   en ziet de fluitspelers
   en de onrustige schare;

24. hij heeft gezegd:
   maakt ruimte,-
   want het meisje is niet gestorven
   maar slaapt!
   Ze hebben hem uitgelachen.

25. Maar wanneer de schare
   is uitgeworpen komt hij binnen,
   grijpt haar hand
   en het meisje wordt wakker.

26. De faam hiervan gaat uit
   naar heel die landstreek.

(vertaling Naardense Bijbel)

Ad Geerling

Donderdag 11 juni- Speelveld

……..     ……..     De buurman vertelde me  ……..
In de krant stond dat ……. …….
Hoe kan dat nou? Ik weet niets te bedenken. Heb ik soms een writers-block?
De stukjes vlogen me telkens zo uit de vingers, er was altijd wel iets dat ik raar vond, het lag als het ware voor het oprapen.  Oh nee, is het nog erger? Begin ik de situatie soms ondanks mezelf normaal te vinden, en heb ik daarom niets om over te schrijven? Het voelt namelijk nog wel als abnormaal en ongewenst, dit soort leven: soms bij elkaar komen en naar je werk kunnen, maar vaak ook niet. Elkaar niet echt kunnen ontmoeten, telkens weer die onderlinge afstand. Het contact zo plat als je beeldscherm.
Misschien komt het omdat we langs het AZ-stadion-under-construction reden, want dit beeld dringt zich aan me op: Het voetbalveld zelf is leeg, maar alles speelt zich in de zijlijn af. Zó voelt het: als leven in de zijlijn. Het voelt een beetje als een onecht, tweederangs bestaan.
Ho, wacht even. Nou moet ik mezelf corrigeren. Ik herinner me nu namelijk die éne keer in mijn leven (echt waar, alweer een paar jaar geleden) dat ik in een stadion een voetbalwedstrijd heb meegemaakt. Mijn buurman had een kaartje over, of ik mee wilde. Het was FC Zwolle (door mij toen nog onwetend PEC-Zwolle genoemd, inmiddels is het weer PEC-Zwolle en had ik het nog steeds over FC Zwolle, zoveel verstand heb ik ervan) tegen Apeldoorn of zo. Ik had dat dus nog nooit echt meegemaakt en ik stelde me daar een soort kerkdienst bij voor, ieder geconcentreerd en vol aandacht voor wat er in het midden van het stadion gebeurde, inclusief samenzang. Niets daarvan, men was druk met elkaar aan het praten over de familie, de vrienden, de zaak, de hobby’s, er was nauwelijks oog voor de bal. Dan doe je maar mee. Op een gegeven moment een enorm kabaal, blijkbaar was er een doelpunt gevallen. Ik weet nog steeds niet voor wie, tot mijn grote verwarring werd het niet herhaald.
Wat iedereen om mij heen toen allang wist, maar wat ik mij nu pas besef: het gaat niet om dat grote middenveld, dàt is maar spel. Het gaat juist om wat in de zogenaamde ‘zijlijn’ gebeurt, dat is je echte leven. Daar ben je gelukkig, je wordt er verliefd, je vindt je geluk, je weet je vrienden te vinden. Of je wordt ziek, een dierbare komt te overlijden, je moet afscheid nemen, ook dat gebeurt.
Hoe normaal of vreemd je omstandigheden ook zijn, je leven is altijd je echte leven en wat je mee maakt is altijd echt en heeft altijd zijn eigen waarde.

Maar misschien wil je me wel helpen. Stuur me even, als je wilt, een mailtje met iets wat je nog steeds echt raar vindt of misschien -gek genoeg- ook alweer gewoon. Dan schrijf ik daar het volgende stukje over. Dan doe ik net alsof ik het zelf meegemaakt heb, maar dan weet jij dat het over jouw leven gaat.

Anne Zweers
Geestelijk Verzorger CLSK te Breda

Woensdag 10 juni- Wonder

Mattheüs 9; 1 – 8

Het bijbelleesrooster is vandaag Mattheüs 9; 1 – 8; het gaat over een verlamde die weer wandelen kon, door genezing van Jezus.  Een prachtig wonder die ik als startpunt neem voor de wonderen die ik vandaag de dag zie.

Ik verwonder me over leerlingen die ik in mijn werk bij een huiswerkinstituut tegenkom, en die hun werkplekje schoonmaken als ze klaar zijn. Ze zijn natuurlijk een tijdje geleden geïnstrueerd van bovenaf om dat te doen, maar ze doen het toch maar, en het wordt zelden door hen vergeten. Ik vind het dan ook weer grappig om te zien dat de een dat vol overgave doet en een ander even snel een doekje er overheen haalt.

Een ander wonder zijn merels. Ze zitten momenteel veel in ons krentenboompje, waar rijpe besjes in zitten waar ze dol op zijn. Ik geniet intens van deze vogels, voel me met hen verwant; ze zijn mijn vriendjes. Ik vind alles mooi aan de merel, ben er helemaal op gefocust. Zou er dolgraag een keer eentje aaien…. Na een ziekte die erg woedde onder hen vanaf 2016, het Usutu-virus, ook een virus dus, ook wel merelziekte genoemd, zijn ze weer terug in grote getalen gelukkig. Ik zie en hoor hen overal. Zij zijn opgestaan na een lange ziekteperiode, en hebben deze nare periode achter zich gelaten. Hopelijk kunnen wij dat ook op termijn zeggen en ondervinden.

En ik verwonder me over de grote aantallen mensen die op zoveel plekken in de wereld demonstreren tegen racisme. 

Mattheüs 9 eindigt zo: “De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht de mensen gegeven had.”

Ik vat dit op als dat God deze wereld maakte met al wat daarin is, en dat wij daarin wonderen mogen blijven ontdekken.

De foto is een schilderij van een merel gemaakt door mij.

Sigrid Aalfs

Dinsdag 9 juni- Zonde, zondaar en zondigen

Romeinen 5, 12 – 21

Toen ik vanmorgen deze tekst las, schrok ik: een vorm van het woord zonde komt tienmaal voor in deze tekst, ieder vers eenmaal! Mijn eerste impuls was: ik doe wat anders! Anderzijds: ‘…kom op Cor, je bent zelf met deze rubriek begonnen en stelde voor deze meditaties aan de hand van het Bijbelleesrooster te schrijven.’ ‘Maar ja’, zei een ander stemmetje in me: ‘je hebt ook aan alle schrijvers geschreven: ‘…neem de vrijheid, het rooster is slechts een richtlijn. Je hebt die vrijheid zelf gecreëerd! Misschien heb je mede daardoor een heel schrijversteam samen kunnen stellen! Zij voelden zich vrij, het gaf de afzonderlijke teamleden ruimte, tegelijk richtlijnen.’ Een volgende stem klonk: ‘kom op, man, je bent pastor van deze gemeente aan wie je schrijft! De gemeente mag weten hoe jij over zonde denkt! Wat is jouw besef van en over zonde?’

Vanwaar die vrees?
Zonde is in de loop der eeuwen een zwaar woord geworden. Met name protestanten konden (kunnen?) gebukt gaan onder zondebesef. Somber zwijgend ging men ter kerke, zwarte nette kleding dragend. Voor mij was dat als kind de reden waarom ik indertijd hekel had aan de zondag: niet zozeer de kerkdienst zelf, maar de kleding die ik zondags moest dragen! Het zat strak, ik voelde mij er unheimisch in en vooral die broek: ‘…deze prikte aan alle kanten! Ik vond het verschrikkelijk.’
Aan het begin van mijn studie moest de student iets van huis meenemen dat symbool stond voor zijn of haar (kerkelijke) opvoeding. Ik nam een nette broek mee, en hield daar vervolgens een heel verhaal over! Die broek stond voor mij symbool voor de strakheid van de geloofsopvoeding! Rudimentair resultaat van zondebesef? De mens ‘er onder houden?’
De kerkbankopstelling van ons gezin was tactisch: de zus onder mij aan de rechterkant van het gezin, ik aan de linkerkant, mijn oudste en jongste zus in het midden naast elkaar, zij klierden onderling het minst. Mijn vader tussen mij en mijn oudste zus, mijn moeder tussen mijn jongste twee zussen, zo zaten wij in de rechtervleugel van de kerkzaal aan de linkerkant van de derde bank van achteren, zondag na zondag. Wat een verademing en vreugde dat spoedig de kindernevendienst werd georganiseerd! Er was ruimte!
Nadat de eerste gevolgen van de secularisatie in ons gezin zichtbaar werden, ben ik ten aanzien van geloofsopvoeding een autodidactische weg opgegaan. Thuis werd er rondom de maaltijd gebeden en gelezen: Onze Vader, Bijbellezing en een dankgebed waarin iets aan het leven bleef kleven. Ik ervoer het als een riedeltje zonder beleving. Uiteraard werd deze kritiek ook gekleurd door de kritische houding van een jonge adolescent op zijn Heimat. Later ben ik mijn vaders levenslange standvastigheid hierin juist gaan waarderen.
Dat autodidactische pad heeft mij vrijmoedigheid gegeven en het besef dat als wij ‘Gods kinderen zijn’ (NLB 675) het toch wel heel vreemd is dat de geschiedenis van het protestantisme de mens heeft afgespiegeld als zijnde slecht en zondig.
Is dat niet hoogmoedig, een kind van God, een schepsel van God dus, als zondig en verdorven (zondagen 2 en 3 van de Heidelbergse Catechismus) te beschouwen? Is dat aan ons om te beoordelen? Wat zeggen wij dan over God, want wij zijn toch Zijn evenbeeld? (Genesis 1, 26). Zegt de mens dan dat God het mis heeft? Als de mens zo Gods schepping betitelt, is de mens dan niet net als Adam en Eva happend in die vrucht van kennis van goed en kwaad, of zoals die bouwers van een toren in Babel: zij wilden God bereiken? De mens betitelt de mens als zondig en verdorven! Pas op mens: je neemt de plek van God in!
Toch is de mens door God bijna tot een god gemaakt (Psalm 8, 6).
En daar ligt het kwetsbare punt: bijna. Dat woord vergeet de mens vaak, dan lijdt de mens ook weer aan hoogmoed. En dat, zo weten wij, komt voor de val (Spreuken 16, 18). En als de mens valt, is dat toch wel zonde.
Hoe dit woord te duiden? Een van de krachtigste geloofsartikelen is het besef dat ik altijd opnieuw mag beginnen, mits ‘ik kniel aan uwe kribbe’ (LvK 141, 1). Dit besef geeft ruimte, geeft mij vleugels en dan ervaar ik iets van de wind die ergens vandaan komt, en ergens naar toe gaat, mij gedragen wetend door zijn vleugels die als een arend over mijn leven waakt (Deuteronomium 32, 11 en 12).

Vandaag zwijgen over zonde? Dat zou toch zonde zijn geweest.

Cor Baljeu

Maandag 8 juni- Brieven

Vandaag staat een brief van Paulus op het rooster. Ik blijf gelijk haken aan het woord ‘brief’. Dat zit zo: omdat ik vanaf het begin van de lockdown thuiswerk, hield ik wat tijd over. Het werk was tijdelijk wat minder en ik had geen reistijd. Nog nooit heb ik mijn huis zo aan kant gehad…, bij het griezelige af. Bij één van die poets- en opruimbuien kwam ik in een oud kistje een stapeltje brieven tegen van vroeger. Een aandoenlijk briefje in een rode envelop van een oud-buurmeisje, toverde mij terug in mijn jaren 70 kamer met een oranje muur, een muur beplakt met kurk én opgeprikte Abba-plaatjes en een visnet in een hoek aan het plafond. Hoe verzonnen we het toch? In die brief beloofde ze plechtig alle plaatjes van Abba voor mij te sparen; als bewijs stuurde ze alvast een paar piepkleine fotootjes uit de krant mee.

Meer brieven kwamen tevoorschijn. Een kostbaar pareltje vond ik onderin het kistje: brieven van mijn ouders, broertje en zusje. Het was het eerste jaar dat ik niet meer meeging op vakantie en mijn moeder had de gezinsleden streng de opdracht gegeven mij wekelijks te schrijven. Ik werd in die brieven minutieus op de hoogte gehouden van alles wat zich daar in en rond de caravan afspeelde: mijn moeder die haar korte broek nog niet aanhad omdat de rits kapot was; mijn zusje die op haar bril was gaan zitten en mijn broertje die zich verbaasde over een zonnende buurvrouw die daarbij haar panty aanhield. Ook mijn vader kwam niet onder de opgelegde schrijfplicht uit. Na een eerste korte bijdrage had hij duidelijk geen zin meer in deze taak en schoof het dan ook zo lang als werd toegestaan voor zich uit. Ik las zijn bondige bijdragen: ‘Het gras is netjes voor mijn voeten weggemaaid.’ Zelfs na bijna dertig jaar voel ik zijn kleine triomf na deze listige uitstelmanoeuvre. In een andere brief volstond hij met een simpel: ‘Groeten van mij, papa’.

Tijdens het herlezen van deze brieven bedacht ik, niet voor het eerst, hoe jammer het is dat we geen brieven meer schrijven. We bellen, appen, sms’en of mailen. Dat gaat allemaal zoveel sneller, maar we zijn het ook zo weer kwijt, want wie bewaart een app of mail jarenlang? Begrijp me niet verkeerd, het heeft ook grote voordelen: ik vind onze familie-app(s!) een zegen en je stuurt elkaar ook nog eens snel een foto of filmpje. Het punt van bewaring is natuurlijk niet het enige wat een brief zo bijzonder maakt: het is de aandacht – zeker bij een handgeschreven brief – die je proeft en die je ook zoveel jaren later nog raakt. En het is ontegenzeggelijk een roerend tijdsbeeld en familie-inkijkje. Een weemoedig familiekroniekje.

Maar ja, zit er eigenlijk nog wel iemand op te wachten? Misschien niet. Maar ik laat me daar niet door ontmoedigen. Inmiddels ben ik begonnen met een (voorlopig nog lange) eenzijdige briefwisseling met mijn kleinzoon. Naast kleine alledaagse dingetjes ga ik hem vertellen hoe het leven vroeger bij mij of bij mijn ouders of grootouders ging. Hoe wij Sinterklaas vierden en Kerst. Hoe wij vroeger de zondag doorkwamen of vakantie vierden. Hoe wij dachten en geloofden. Hoe dat allemaal veranderd is… Genoeg schrijfstof! Hij hoeft trouwens niet te antwoorden. Hij hoeft zelfs van mijn schrijverij niet te weten, ik bewaar de brieven tot hij ouder is. Wordt dat geen prachtige erfenis?

Riet van der Wenden

Zaterdag 6 juni- Goddank…

Je hoort het nogal eens. Een beetje achteloos in de conversatie ingeweven. Dingen die goddank of godzijdank goed afliepen. Of moet God hier met een hoofdletter? Dat kun je niet horen. Het valt me altijd op, als iemand zich zo uitdrukt. En het stoort me ook altijd een beetje: het komt toch over als ijdel gebruik van Gods naam – zo heb ik dat vroeger geleerd.

Nog een aflevering, en dan hebben we ze gehad, de twee jaargangen Shtisel. Anne Zweers schreef er al over. Shtisel is een populaire serie, te zien op Netflix. Met alle kenmerken van een soap, maar toch heel aantrekkelijk omdat alle verhalen zich afspelen in een Joods-orthodox milieu. De mannen bestuderen de Thora en de Talmoed, de vrouwen zijn thuis. Het gewone, wereldlijke leven staat onder verdenking, hoewel ze het ook weer niet kunnen vermijden. Want wat is een vrome Jood zonder mobiele telefoon?
Maar echt alles wat ze doen en laten is ingebed en ingekaderd in een religieus leven. Synagoge, Thoraschool, sabbat, kleding en uitdossing, reinheidswetten, partnerkeuze, moraal, gebedstijden en -teksten, het is een alles omvattend geheel.

De verfilming is geweldig, prachtige beelden. De karakters een beetje aangedikt, zoals het hoort in een soap. Onverwachte wendingen, en leuke cliffhangers. Maar wel universele thema’s – mensen zoals mensen zijn. De voertalen zijn Jiddisch (vooral bij de ouderen) en Hebreeuws.

Je hoort in Shtisel heel vaak iets in de conversatie dat de indruk van een stopwoordje geeft. Bochasjeem. Zo klinkt het. Ze gebruiken het zo vaak dat het niet eens altijd ondertiteld wordt. Als dat wel gebeurt, dan staat er Godzijdank. ‘Hoe gaat het met je?’ ‘Bochasjeem, ik ben gezond.’ Ik keek het na, het is eigenlijk: Baruch ha Shem, Gezegend de Naam. De ondertiteling raakt het wel, vind ik: God zij dank.

Een stopwoordje? Die indruk krijg je wel. Het gaat heel achteloos. En bij het minste of geringste. Maar toch past het daar wel, omdat het hele leven al doortrokken is van de religie, en dat hoor je dan ook in de taal.

Dat is bij ons anders. Ons geloof, ons religieus-zijn, is een deel van ons leven. Ons hele leven valt er wel onder, uiteindelijk ligt in je geloof, je religieuze houding, je hele leven tot en met je dood besloten. Maar dat zien en voelen we alleen als we van tijd tot tijd een innerlijke beweging maken. Ik zou dat een toewending willen noemen. Je zoekt van tijd tot tijd de basis waarop je leeft, de richting, de bron.
Maar ons leven verloopt in de gewone alledaagse gang van zaken, temidden van de dingen die gaan zoals ze gaan, en waar we ons toe verhouden.

En dan is het maar net in welk verband iemand ‘God zij dank’ zegt. Als dat echt een geloofsuitspraak is, in een toewending naar God, vind ik het heel mooi, dan sta je er nog eens extra bij stil hoeveel we krijgen in ons leven.

En als het gedachteloos is, losjes ingeweven in een zin? ‘Goddank, we kunnen er weer op uit!’ ‘Goddank, we zijn gezond!’ ‘We zijn Godzijdank weer bij elkaar geweest.’
Dan is het nog steeds iets, waar je niet omheen kunt. Ik veer als ik het hoor even op. En ik roep mijzelf ervan terug te denken dat het misbruik van Gods naam is.
Integendeel, denk ik zelfs. Het zou best wat meer gezegd mogen worden. Bij wat we krijgen.

Ale Pietersma

Naschrift. Gisteravond zag ik de laatste aflevering. Nu weet ik dus hoe het afloopt. Alle reden om te zeggen: Bo ha Shem!

Vrijdag 5 juni- Met wind in de haren

Een lied-tip dit keer. Lied 697 in het Liedboek: Kom Schepper, Geest. De tekst is geschreven door Sieds Prins, gebaseerd op oude woorden van de Lakota indianen. De muziek is van Tony Barr. Vanwege de auteursrechtelijke bepalingen kan ik de tekst hier niet helemaal opnemen. Op internet zijn wel opnames te vinden.
Het refrein luidt:

Met wind in de haren
en zon in de rug
ligt het land voor ons open.
Met Jou aan mijn zij,
met Jou op mijn pad
geen kwaad zal ik duchten
want Jij bent nabij.

Dit lied geeft voor mij in woorden en melodie weer wat Pinksteren is, hoe Pinksteren voelt, wat het betekent. Alle exegese, theologie, liturgiek, traditie en wat dies meer zij kunnen niet op tegen dit lied. Vroeger in Amsterdam in de Dominicuskerk zongen we het met een trommel en met tranen in onze ogen. Het ritme van Pinksteren is in die dertig jaar nooit uit mij weggegaan. Afgelopen zondag zou ik de pinksterviering mogen doen in het ziekenhuis. Ik keek daar al bij het maken van het rooster enorm naar uit, maar het kon helaas niet. Vanaf zondag spelen deze tekst en melodie door mijn ziel.

In het lied komen allerlei aspecten van de Geest aan de orde. De geest verlicht de dag en verwarmt ons hart. Doet iets met ons van binnen: vuur, passie, pijn verlangen. Wind, haren, open, nabij waardoor de moeilijke dingen niet zo moeilijk zijn.

De Geest doorbreekt de nacht en bedwingt het schimmenuur. Dat woord resoneerde van de week mee in een gesprek met een patiënt. Die nachten. Ieder kwartier op de klok voorbij zien gaan. En dan zingt het lied de Geest lof toe om de morgen, de eerste stappen van een kind, troost.

De winterkou, mensen aanraken, rivieren, adem die je brengt (I can’t breathe… klinkt dan deze week mee). De hele natuur komt in beweging in dit lied. Dieren in het veld, nachtegalen. Vrijheid die verbindt. Ik vind het inspirerende en ontroerende woorden, gezongen met die hartslag eronder. Vrede die verstilt.

Zo is de Geest er voor ons.

Marjanne Dijk

Donderdag 4 juni

Matteüs 8:2-13

Het verhaal van vandaag gaat over genezingen. Jezus heeft net de bergrede uitgesproken en daalt de berg af om naar Kafarnaüm te reizen. Eerst komt hij een man tegen die aan huidvraat lijdt. Jezus geneest de man. Vervolgens komt er een centurio naar hem toe. Hij smeekt om hulp, maar niet voor zichzelf. Hij wil dat Jezus zijn slaaf helpt, die verlamd thuis op bed ligt. Jezus zegt dat hij met de centurio mee gaat naar zijn huis, maar daar voelt de centurio niets voor. Ik ben het niet waard, zegt hij, dat u onder mijn dak komt. En het is ook niet nodig, want u hoeft alleen maar te spreken en mijn slaaf zal genezen. Dat is de taal van de centurio. Als de centurio zegt dat een soldaat moet gaan, dan gaat de soldaat. Als Jezus zegt dat iemand is genezen, dan gebeurt dat. Jezus is onder de indruk van het geloof van de centurio. Hij zegt zelfs dat hij bij niemand in Israël zo’n groot geloof heeft gevonden. En dan een verwijzing naar de toekomst: Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.

Toen ik aan het zoeken was naar een mooi schilderij ter illustratie, kwam ik ook heel veel verschillende teksten en ideeën tegen over dit bijbelgedeelte. Soms wordt er een directe link gelegd tussen geloof en genezing. Eerlijk gezegd klik ik dat soort uitleg meteen weg. Het kan toch niet zo zijn dat je genezing afhankelijk is van je geloof? Of erger nog, als je niet meer beter wordt dat het gevolg is van je twijfel?
Andere schrijvers leggen de nadruk op het laatste gedeelte. Niet zozeer het feit dat er erfgenamen van het koninkrijk van de hemel zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis, maar juist dat ook andere mensen mogen aansluiten, mensen uit het oosten en het westen. Dat klinkt inclusief.

Weer anderen kijken vooral naar het verhaal van de centurio, net als de schilder van bovenstaand schilderij, Paolo Veronese (1528-1588). Het schilderij ademt het bijzondere van de situatie. Een stoere, grote centurio. Hij is gekleed in een Romeins soldatentenue en heeft zijn helm afgezet. Hij knielt voor Christus. Christus kijkt op de centurio neer, maar niet op een hooghartige manier. Jezus kijkt belangstellend, liefdevol.

De centurio komt niet voor zichzelf, maar voor zijn slaaf. Iemand die in de tijd van Jezus onderaan de maatschappelijke ladder stond. En de centurio durft kwetsbaar te zijn. Hij vraagt om hulp, ondanks dat hij kans loopt een blauwtje te lopen. Dat is durven. Dat is vertrouwen.

Liesbeth van Es

Woensdag 3 juni

naar Psalm 104

oog voor de schepping

nee, ik doe dit niet alle dagen
maar vandaag heb ik beter zicht
ik zie God in een wolkenwagen
ik loop in een mantel van licht

de vogels en zoveel dieren
zij groeten God ongedacht
zij helpen het leven vieren
zoals zij gaan bij de dag

de paarden, zij vinden een weide
zij schudden hun manen los
ook de bomen laten zich leiden
zij spreken elkaar in het bos

ook het weerloze gras is een bode
en het riet dat daar wuift in de wind
en het water dat beeft van de golven
ik kijk soms weer als een kind

mijn woorden worden een wagen
ik laad daar Gods wonderen op
nee, ik zie God niet alle dagen
maar soms kan het even niet op

dit zijn dus maar enkele werken
van God, als ik wandel en kijk
dan laat Hij zijn grootheid merken
ook op de Hasselterdijk

Siebren van der Zee

Dinsdag 2 juni- Goed plannen …

Ruth 4 : 1-11

… is het halve werk. Dat klopt helemaal in deze mooi voorgekookte romance van het boek Ruth!  Klein boekje met een groot verhaal.

Waar heel veel menselijks voorbijkomt in de hoofdrolspelers. Dus een teruggekeerde Noömi, schoondochter Ruth en verre neef Boaz.

Waar het gaat om : opnieuw leven, wikken en wegen, onbeschaamd aanraden (vanuit Noömi’s pure berekening) je moment kiezen, verleiding, verliefdheid en toekomst/grond onder verliefde voeten zetten ! ( waaruit voortkomt : Jezus heeft ook hier een niet-joodse in zijn voorgeslacht … ! )

Opvallend: ( komt vaker voor in bijbel-verhalen) álles, ook wat flink op manipulatie lijkt, komt onbeschaamd aan de orde !

In de afsluitingsronde – waar het vandaag eigenlijk over gaat – is Boaz ( mens in wie kracht is) niet zonder raffinement bezig. Waar hij absoluut een bepaalde buit wil binnen halen …  Met het oog op Noömi, die namelijk het land van haar overleden man te gelde wil maken/ verkopen!

En, redelijk vermogende man Boaz ziet dit wel zitten; waarbij het ook usance is dat hij dan gelijk Ruth als zijn vrouw kan binnen halen …

In een nacht voor die tijd – in de z.g. ‘verleidingsnacht’—heeft hij dat al met haar besproken.

Haar ook verteld, dat er nog wel een hobbeltje te nemen is : er is een man die méér familie van Noömi is dan hij … Die heeft dus het eerste koop-recht. Daar moet Boaz nog iets op vinden …

En dat lukt : hij posteert zich bij de stadspoort, en ziet het bewuste familielid aankomen. Met deze erbij, organiseert hij een openbare vergadering met tien voorname (!)  medebewoners. Als het bewuste stuk land ter sprake komt, zegt de betrokken man dat hij daar recht op wil hebben… !

Maar als Boaz hem vertelt dat dit prima is (?) maar dat op dit land dan wel de naam van Ruth + overleden man zal blijven rusten, hoeft het niet meer van de man.  En zo wordt de koop met Boaz gesloten, ten overstaan van de tien mannen/toezichthouders. Bekrachtigd met een uitgetrokken sandaal … Nou ja.

Moraal van dit verhaal ?

Misschien wel dit : als iets goed en heilzaam is voor mensen, mag er ook wel eens – met het oog daarop – goed gemanipuleerd/gepland/ berekend worden! Niks mis mee. Toch ?

Joke van der Zee

Maandag 1 juni- Oermoeder van de Messias

het boek Ruth, middeleeuws geschrift

Ruth 4 staat op de rol voor deze 2e Pinksterdag.
Het boek Ruth, een bijzonder geschrift.
In de Hebreeuwse Bijbel is het een van de feestrollen. 
En de feestrollen worden gelezen op de grote feesten van het volk Israël. 
Zo wordt in de synagoge op Pesach (Pasen) het Hooglied gelezen,  tijdens het carnavaleske Poerimfeest het boekske Esther, tijdens het Loofhuttenfeest buiten in de tent het nuchtere boek Prediker en op het Wekenfeest, het Joodse Pinksterfeest de novelle Ruth.

Waar gaat het in dit boekje nou precies om?
Er gebeurt veel in: in Bethlehem (Broodhuis letterlijk vertaald)  is geen brood. Een vluchtelingenstroom komt op gang, mensen op zoek naar brood. In het heidense land bloeit de liefde op en komt het tot gemengde huwelijken. Er sterven mensen, vrouwen blijven verweduwd achter. Het heimwee en het besef dat thuis weer te eten is, doet terugkeren naar het Broodhuis.
Maar ook  daar blijkt het bestaan van weduwes moeizaam, eten moet bij elkaar gescharreld worden.
En haar bezit kan in die dagen niet te gelde gemaakt worden. De enige mogelijkheid is: gelost worden, door een losser uit haar benauwde bestaan verlost worden.
Op een prachtige manier wordt dat centrale gegeven van de lossing in gang gezet: deze markante vrouw doet een beroep op Boaz en spreekt hem aan op die eervolle taak voor een respectabel man.

En dan belanden we in hoofdstuk 4 waar de respectabele notabele met een tactisch spel in de poort de lossing gedaan weet te krijgen en daar in de poort van het Broodhuis voor de wet met Ruth trouwt. Het is daar met die tien getuigen de burgerlijke stand.

Waar gaat het in dit boekje nou precies om, vroeg ik?
De geleerden zijn het er niet erg over eens waar het nou eigenlijk om draait in dit prachtige, rijke verhaal. De een zegt dat je dit boekje moet lezen naast het boek Ezra. Ezra, die het volk dat  in ballingschap leefde naar Jeruzalem doet terugkeren en met het oog op een sterk volk dat daar moet terugkeren,  het Joodse volk verbiedt zich te mengen met vreemdelingen, niet-Joden, Ba’al-vereerders (Ezra 7-10). Het boek  Ruth zou dan een vriendelijk vrouwelijk tegenwicht moeten zijn tegen dat al te strenge, harde mannelijke van Ezra. De schoondochter van Noömi, weduwe van Noömi’s zoon Machlon, deze Ruth is immers een Moabitische, een niet-Joodse en zij wordt notabene opgenomen in het volk Israël met die prachtige belijdenis: uw volk is mijn volk, uw God is mijn God. Waaruit moge blijken dat de God van Israël geen God is van dat enkel ene volkje in die uithoek van de wereld, maar Heer van alle volkeren op aarde (zie psalm 67).

Andere geleerden menen dat het vooral gaat om het messiaanse perspectief dat gestalte krijgt in de verbindtenis van Ruth met Boaz. Het verhaal is daar op aangelegd, loopt daar op uit, op de vooruitwijzing naar de Messias; het boekje sluit immers af met een geslachtregister:

  1. Dit zijn de geboorten uit Perets:
    Perets deed Chetsron geboren worden.
  2. Chetsron deed Ram geboren worden
    en Ram deed Aminadav geboren worden.
  3. Aminadav deed Nachsjon geboren worden
    en Nachsjon deed Salma geboren worden.
  4. Salmon deed Boaz geboren worden
    en Boaz deed Obed geboren worden.
  5. Obed deed Jesse geboren worden
    en Jesse deed David geboren worden.
    (vertaling Naardense Bijbel)

Deze afsluiting maakt Ruth tot oermoeder van de Messias.
Een paar opmerkingen daarbij onder het voorteken van: tegen de verwachting in, ofwel: er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan.
Als eerste: Perets.
Perets was er een van een tweeling. De bevalling was begonnen en opeens kwam er een handje uit de moederschoot, de vroedvrouw bond gauw een scharlaken draadje om de pols en ze zei:  dit is de eersteling. De hand trok zich terug En daarna werd niet Zerach met het scharlaken draadje maar Perets geboren. Verrassing. (zie Genesis 38: 27-30)
Vervolgens:
Ruth is Moabitisch. En op Moab rust een smet. Moab is uit incest geboren. Lot, de neef van Abraham, heeft Moab verwekt bij een van zijn dochters. Moabieten: het heidendom ten top.
En als derde opmerking:
Obed is volgens het leviraats- of zwagerhuwelijk(zie Gen 38: 8 en de wettelijke regel in Deut. 25:5) wettelijk zoon van Machlon.  Verrassenderwijs heet hij in Ruth 4   de zoon van Boaz (en Ruth, de weduwe van Machlon).
En ten slotte:
Ruth is dus verrassenderwijs de oermoeder van koning David, ja de oermoeder van de Messias, van Christus Jezus.
De afstamming van Jezus zit vol van dat soort verrassende vrouwen, van wie je het niet zou verwachten. Kijk maar naar Tamar, die de hoer speelt (Gen. 38), Rachab, die publieke vrouw  op de muren van Jericho (Jozua 2 en 6), Bathseba, zij van Uria, door overspel de moeder van koning Salomo (2 Samuel 11 en 12)  en dan het meisje Maria.

God moves in a mysterious way, dichtte William Cowper, Ja. God gaat zijn ongekende gang, vol donkere majesteit. (Lied 943).

Ad Geerling  

Getagd met