Meditatie 28 september

Meditatie 28 september

Een koning

Daniel 6 (I )

Deze koning Darius, de opvolger van Nebakadnessar en Belsassar, die beiden als hooghartig en niet nederig genoeg worden bevonden volgens het Bijbelboek, waardeert de allochtoon Daniel hooglijk. Hij heeft grootse plannen met hem. Zoiets roept jaloerse collega’s op. Die gaan op zoek naar zijn zwakheden. Ze kunnen ze niet vinden. Of toch…?

Een koning is ook maar een mens en laat zich ringeloren door een wel bijzonder aanlokkelijk voorstel: listig als slangen fluisteren ze hem in het oor; wij, bestuurders vinden allemaal(?) dat de komende dertig dagen alleen aan u iets gevraagd mag worden….zijn collega’s  kennen Daniels ‘zwakke plek’, ze weten van zijn relatie met God. Zijn standvastigheid, zijn trouw aan zijn overtuiging zal zijn ondergang worden, denken ze, want welk weldenkend mens neemt het risico de dood in de ogen te kijken voor zoiets onbenulligs.

Gaat er een lichtje branden bij Darius? Nee. Hij loopt met open ogen in de val die gezet is voor Daniel, al is hij zich daar niet van bewust. Een slangenkuil als val. Want ego’s zijn gauw gestreeld. IJdelheid is een slechte raadgever. Een  aanlokkelijk voorstel kan je kritische gedachten gauw tot zwijgen brengen. We worden maar al te graag in slaap gewiegd door wat ons aantrekkelijk voorkomt. Hoewel, bij Darius is hier geen sprake van slapen op dit moment. Zijn leven staat op zijn kop, hij eet niet, slaapt niet, hij treurt de hele nacht.

Een koning is ook maar een mens, toch in tegenstelling tot zijn voorgangers, erkent hij dat hij gevallen is in de kuil die voor hem was gegraven.  Hij probeert de zaak recht te breien maar dat is niet zo makkelijk als je in een keurslijf zit waaruit je niet kunt ontsnappen; de wetten van de Meden en de Perzen staan vast, er is geen beweging in te krijgen. Wetten zijn er om het leven leefbaar te maken en te houden maar als wetten een ijzeren harnas zijn, kan het leven gevaar lopen.  Als je je laat leiden door ijdelheid, hooghartigheid of grootheidswaan, dan gaat het mis in de verhouding tussen koningen en mensen en God.

Soms kunnen zelfgemaakte fouten niet ongedaan gemaakt worden, zijn ze onomkeerbaar. Binnen zijn onmacht zoekt de koning  naar wat nog wel in zijn macht ligt. Hij heeft ontzettende spijt. Hij blijft zoeken naar mogelijkheden om de pijn te verzachten. Waar zit nog wel ruimte? Wat kan nog wel gedaan worden? Hoe te helpen? Koning Darius laat er geen twijfel over bestaan: dit heeft hij niet gewild en hij steunt Daniel waar hij maar kan; zo lang mogelijk zoekt hij naar oplossingen, hij bemoedigt hem: Uw God die u zo vasthoudend dient, zal u redden. Is dit gemakkelijke troost of een profetie? De volgende morgen, na de doorwaakte nacht, begroet hij hem: Daniel, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u zo vasthoudend dient, u van de leeuwen kunnen redden? Of ziet Darius hier een godsgericht in, zoals wel meer voorkwam in die tijd. Een proeve van bekwaamheid?

Als hij ’s morgens een ongedeerde Daniel ontdekt en zijn verhaal hoort, laat Darius zien dat onrecht niet loont, op een ondubbelzinnige manier die ons wel erg wreed overkomt want wat moeten die onschuldige kinderen in die kuil?  Het kwaad van roddel en achterklap, van iemand het licht in de ogen niet gunnen, moet met wortel en tak worden uitgeroeid. Zo onwrikbaar als de wet van Meden en Perzen, zo onwrikbaar is de wraak van Darius: tot in het derde en vierde geslacht……

Degenen die de macht leken te hebben zijn uiteindelijk machteloos, hun macht was ten kwade.

Toke Hoekstra

Getagd met