Rommel II

“Heb je het al eens gedaan, rommel opruimen bij de Mastenbroekerbrug?” Die vraag kwam confronterend aan in de afgelopen weken. Nee, ik was nog niet met een vuilniszak op pad geweest. Ondanks dat ik de vorige meditatie zo had afgesloten. Ik citeer: “En de rommel zien. Om dan te doen wat ik nog nooit heb gedaan. Allereerst met een vuilniszak de rommel opruimen die ik zie rondom de Mastenbroekerbrug.”

En dus ging ik na die vraag, terug naar huis, doen was ik eigenlijk steeds had willen doen, maar niet had gedaan: de glazen flessen opruimen die ik had gezien langs het pad. En thuis deed ik een paar plastic tassen in mijn fietstas, met het voornemen om iedere keer als ik weer langs het fietspad fiets af te stappen en daar al het vuil te verzamelen.

En zo deed ik het de volgende dag. Ik begon maar direct: bij het stoplicht. Daar stond ik toch te wachten. En in mijn plastic tas kwamen blikjes, kauwgomverpakkingen, bierflesjes, rietjes, een spuitbus met haarlak (helemaal vol nog). Het is op zich helemaal niet moeilijk om rommel op te pakken – want er ligt genoeg.

Maar het kostte mij toch moeite. Want op de een of andere manier voelde ik mij gegeneerd om de rommel op te pakken. Dat verraste mij. Wat ik deed was niet verboden en in principe zou iedereen daar blij mee moeten zijn, want de wereld kwam er toch mooier uit te zien. En ik zou er toch ook een beter gevoel van moeten krijgen, want ik hielp iedereen toch, die naar mij keek omdat ik de rommel opruimde?

Maar zo werkte het blijkbaar niet. Je openlijk verhouden tot de puinhopen die op straat liggen vraagt blijkbaar een ander soort kracht, dan ik van mijzelf met mij meedraag. Ik moet het leren om af te stappen, de vuilniszak uit de fietstas te halen en rond te gaan om de rommel op te ruimen. De tweede keer was gemakkelijker. Maar toen koos ik ook niet het stoplicht uit, maar ergens halverwege het fietspad. En ik vroeg mijzelf af: waar komt die gêne uit voort? Voel ik mij te min om puin te rapen? Is mijn tijd te kostbaar? Wil ik mij niet vereenzelvigen met rommel? Vind ik de rommel te vies? Vind ik het niet belangrijk genoeg? Op al die vragen kan ik volmondig ‘nee’ antwoorden.

Ik moet er over nadenken, maar iets van die gêne heeft denk ik te maken met nederigheid. Durf ik wel echt nederig te zijn. En misschien moet ik op die vraag ook wel ‘nee’ antwoorden. De moeite om nederig te durven zijn en je te verhouden tot de rommel die op straat ligt. En hoe is het om je te verhouden tot een ander die nederig is voor jou – zo maar. Dat is een thema dat in de tijd van de Pasen aan de orde is. ‘Nederig nabij’, zo is het de beweging die God maakt – Goede Vrijdag. Kan ik mij overgeven aan de nederigheid van een ander?  Van God? En helpt dat misschien om zelf nederig te zijn?

Ik citeer een prachtig lied uit het liedboek, een gebed eigenlijk:

U komt mij, lieve God, zo nederig nabij.
In dagen van gemis en moeite vindt U mij.

U daalt het duister in, U deelt mijn angst en pijn,
Zo dodelijk bedroefd als maar een mens kan zijn,

een man van smarten die ter aarde valt en schreit,
Een lotgenoot, een vriend,- O Heer die bij mij zijt,

ik bid U, laat het licht dat doorbrak in uw smart,
De zon die Pasen heet, ook dagen in mijn hart.

Margo Jonker

Geplaatst in nieuws